|
||||
|
De Origin: een recensie [Lees eerst de samenvatting en de citaten] Tot voor kort dacht ik nog dat de uitvinding van het vuur en het wiel de belangrijkste uitvindingen waren in de geschiedenis van de mensheid. Na het lezen van The Origin of consciousness in the breakdown of the bicameral mind vraag ik me af of conceptuele uitvindingen niet minstens zo revolutionair zijn geweest. Wat Jaynes inzichtelijk maakt, is dat mentale vaardigheden die wij als doodnormaal beschouwen, in feite zwaar bevochten verworvenheden zijn van voorbije millennia. De vereiste lenigheid voor de Origin De Origin is het soort boek dat je openslaat, met interesse begint te lezen, maar onmogelijk ‘in één adem’ uit kunt lezen. Al na een paar alinea’s denk je: dit schrijf ik op. Bij het verder lezen wordt duidelijk dat je beter even kunt wachten met schrijven en moet beginnen met diep nadenken. De gedachte-lenigheid die de auteur van je vraagt is zo groot, dat je na een uur lezen en een schamele acht pagina’s het boek uitgeput maar opgewonden opzij moet leggen. Vervolgens is het raadzaam om met de opgedane stof maar eens de wijde wereld in te gaan en de implicaties ervan tot je te laten doordringen. Ik zou iemand niet geloven die beweert het hele boek binnen een paar dagen gelezen en begrepen te hebben. Wat is dan die vereiste gedachtenlenigheid waar ik op doel? De gedachte-oefening bestaat in essentie uit het wegdenken van de mechanismen die we bewust redeneren noemen. Wat blijft er nog over als dit wegdenkt en kun je het restant nog bewustzijn noemen? Jaynes vraagt ons bijvoorbeeld het volgende: stel je een cultuur voor waarin de mensen de toekomst niet vóór zich zien, zoals wij, en evenmin als iets waar ze ruggelings invallen (zoals de Oude Grieken kennelijk deden in een zekere periode), maar waarin tijd in geen van beide ruimtelijke richtingen verloopt. Anders gezegd: waarin tijd niet als iets ruimtelijks kan worden voorgesteld. Welke implicaties zou dit hebben voor de psychologie van die mensen? Dit is zo’n moment waarop je het boek beter even opzij kunt leggen en uit het raam kunt gaan staren… En zo gaat het sloopwerk verder, net zolang totdat we (min of meer) in staat zijn om ons een mentaliteit in te denken die radicaal anders is dan de onze en waarvan het inderdaad discutabel is om die nog 'bewustzijn' te noemen. Jaynes laat zien hoe de mens in de loop van eeuwen en millennia een zelf heeft gecreëerd en een ik dat kan bewegen in een virtuele ruimte die we ‘gedachtenwereld’ noemen. Tijdens dit scheppende proces werden de goden als aanstichters van menselijk handelen steeds meer achterhaald. Doordat Jaynes de godenwereld in een dergelijk licht plaatst, is de functie daarvan niet langer totaal onbegrijpelijk voor ons moderne, bewuste mens. Na het lezen van de Origin snap je dat de enige manier waarop mensen destijds konden 'psychologiseren', het inschakelen van de goden was. De goden waren wezens in een soort proto-mentaal jargon, bij gebrek aan termen als 'afweging', 'keuze', 'geheugen', laat staan een concept als: 'vrije wil'. Twee methodes van evolutionaire psychologie Evolutionaire psychologie heeft grof gezegd twee methodes. Methode een, de moderne manier, is het uitvoeren van experimenten – letterlijk in het psychologisch laboratorium - naar de werking van de geest. Op grond van wat wordt aangetroffen; de talenten, de kronkels, de schijnbare anachronismen, wordt iets afgeleid over de psychologische wereld waarin de menselijke geest is geëvolueerd. Methode twee is de klassieke filologie: het analyseren van het woordgebruik in oude teksten. Julian Jaynes maakt gebruik van beide methoden om tot zijn spectaculaire stelling te komen. En hij hecht veel waarde aan de tekstuele methode-twee: ‘Let no one say that these are just word changes. Word changes are concept changes and concept changes are behavioral changes.’ De sterkste hoofdstukken zijn die waarin stap voor stap de betekenisverandering gevolgd wordt van de woorden die de voorgangers waren van ons begrip bewustzijn of geest. Kun je regelrecht uit teksten afleiden hoe mensen destijds dachten? Jaynes’ belangrijkste stelling – de snelle evolutie van het menselijk bewustzijn tussen 1000 en 500 voor Christus – berust op deze aanname. Maar hoe objectief waren de schrijvers van de Ilias? Was het in dat verhaal niet een poëtische stijlfiguur om al het menselijk handelen aan de goden toe te schrijven? Nee, zegt Jaynes, en ik geloof hem op dit punt. Wat hij overtuigend aantoont, is dat het verschil tussen Ilias en Odyssee, tussen Amos en Prediker, niet alleen een verschil van taalgebruik is. De hoofdpersonen bewegen zich in wezenlijk andere psychologische werelden, waarin ze wezenlijk andere dingen doen. Word changes […] are behavioral changes. (Dit punt wordt ook overtuigend gemaakt in Metaphors we live by van Lakoff en Johnson. De metaforen die we gebruiken om onze alledaagse handelingen te beschrijven, bepalen hoe we ons gedragen. Bijvoorbeeld: een cultuur die 'tijd is geld' als metafoor heeft, functioneert wezenlijk anders dan een cultuur waarin dit idee niet bestaat. En dit is niet slechts een verschil van het in andere woorden beschrijven van hetzelfde. Nee, de woorden creëren het verschil.) De minder essentiële en nog speculatievere hoofdstukken zijn de methode-een hoofdstukken. Met name The double brain, waarin Jaynes een verband legt tussen de anatomie van onze hersenen en de structuur van de bicameral mind. Natuurlijk, het is een mooi gegeven dat er twee hersenhelften zijn en dat de bicameral mind ook tweeledig is. Maar of het een tot het ander gereduceerd kan worden, is niet eens zo belangrijk. Stel, de wetenschap zou plotseling tot radicaal andere inzichten komen over de inrichting van onze hersenen - niet onze geest. Dan zou de stelling van Jaynes hierdoor grotendeels onaangetast blijven. Een ander speculatief argument is zijn vermoeden dat stemmen zoals die tegenwoordig gehoord worden door schizofrenen, een restant zijn van de oude bicamerale geest. Volgens Jaynes behoorde het hallucinatie-aspect van de stemmen tot de kern daarvan: de goden werden gehallucineerd. Maar ook hier denk ik: of de stemmen nu gehallucineerd werden of ‘gewoon’ gehoord in het geestesoor, dit is toch vooral een ‘volumeverschil’, geen functioneel verschil? En dus lijkt het me geen wezenlijk aspect van de theorie (Dennett heeft tijdens een conferentie over het boek het alternatief geopperd dat de stemmen misschien gehoord werden zoals wij nu ook nog, zonder het te kunnen helpen, in ons hoofd muziekjes, reclameslogans, kortom 'jingles' horen.) Net als iedereen die met een revolutionaire theorie komt, kan Jaynes zich niet bedwingen om een enorme hoeveelheid van dergelijke circumstantial evidence ten toon te spreiden. Het hele derde deel van het boek gaat hierover: Vestiges of the bicameral mind in the modern world. Hoewel dit vaak inspirerend en behoorlijk overtuigend is, heeft Jaynes zich hiermee kwetsbaar gemaakt. Want de indruk zou kunnen bestaan dat als een van de pijlers van zijn theorie onderuit wordt gehaald, het hele bouwwerk niet meer kan blijven staan. Dit heeft zijn critici (Jaynes was overigens aan Princeton verbonden) de kans gegeven om zijn werk aan te vallen op allerlei detailkwesties. Geloofwaardigheid en rationele reconstructie Het lijkt onvoorstelbaar: mensen die af en toe stemmen hoorden van goden en deze opvolgden. Maar vanuit een bepaald perspectief is het minder ongeloofwaardig dan het lijkt. Ook ik ‘hoor stemmen’, maar ik ervaar deze (gelukkig) als afkomstig van ‘mezelf’, als een ‘interne’ monoloog of dialoog. En hoewel de stem in mij niet de kracht heeft van een hallucinatie, heb ik niet eens zo veel beheersing over deze innerlijke stem. Wel kan ik hem een beetje sturen en de confrontatie met hem aangaan. Ik kan hem plaatsen; de stem is ingebed in een mentale organisatie waarin hij een tegenstem kan krijgen. Hij is 'wendbaar', 'heeft de ruimte’ en ook allerlei gereedschappen die hem krachtiger maken dan het bicameral mechanisme ‘stem-spreekt-ik-handel’. Veel lezers zullen zeggen: het kan niet waar zijn dat mensen zonder bewustzijn in staat waren tot al de grootse werken uit die tijd. Maar bedenk tot hoeveel intelligent handelen ook wij bewuste wezens in staat zijn zonder daarbij ons bewustzijn in te schakelen. Het is voorstelbaar dat, zeker in bepaalde relatief eenvoudige sociale omgevingen, bewustzijn nauwelijks gemist wordt. Ik moet denken aan de documentaire waarin een oude boer door zijn zoon wordt gevraagd: ‘maar vader, wat vindt u daar nou persoonlijk van?’ Na een lang zwijgen zegt vader: ‘Persoonlijk, hoe bedoel je?’ (uit Het is een schone dag geweest van Jos de Putter, geciteerd in Hoe God verdween uit Jorwerd van Geert Mak). Ik wil maar zeggen: iemand die zich zoals deze boer bevindt in een zeer overzichtelijk en stabiel sociaal en economisch leven, heeft om normaal te functioneren weinig noodzaak tot introspectief gegraaf. Vergelijk dan zijn situatie met die van de losgeslagen en wetteloze Odysseus. De held uit deze proto-psychologische roman moet het doen zonder de zekerheden van zijn oude sociale structuur. Hij is een zwerver, ook figuurlijk, en om grip te houden op zijn leven zonder ouderwets houvast, heeft hij veel geavanceerdere mentale navigatiemiddelen nodig. Deze romanfiguur, deze 'held van de nieuwe mentaliteit' spreekt daarom nog steeds tot de verbeelding. Omdat hij een existentiële opdracht heeft: hij moet zichzelf opnieuw uitvinden. Het is dan ook een belangrijke claim van Jaynes dat de overgang van de ene mentaliteit naar de andere in een periode van sociale chaos is begonnen, waarin de mens werd losgeslagen uit zijn oude sociale verbanden. Die sociale verbanden zijn niet los te zien van de geest van individuen daarin. Er is nog een speculatieve argumentatietechniek die Jaynes toepast (en dit zou de derde methode van evolutionaire psychologie genoemd kunnen worden): de methode van de rationele reconstructie. Dat wil zeggen: zonder zich te kunnen beroepen op bewijzen, reconstrueert hij een deel van de menselijke historie en prehistorie. Het is de vermeende ontstaansgeschiedenis in grove stappen: 'zo moet het ongeveer gegaan zijn'. Dit is de allermoeilijkste techniek om te verkopen en sommige mensen zijn er allergisch voor. Dennett echter neemt het in een review van The Origin op voor Jaynes en andere stoutmoedigen onder de wetenschappers: Plaats in de psychologische literatuur Dertig jaar na publicatie is het stof inmiddels neergedaald. The Origin heeft een vaste plaats verworven in de psychologische literatuur. Het boek krijgt steeds vaker credits voor zijn rol van pionier. Op conferenties wordt het genoemd, het is opgenomen in literatuurlijsten. Er wordt erkend dat het het kennisdomein van de moderne evolutionaire psychologie mede heeft vormgegeven. In de woorden van een vroege recensent: even as the skeptic marshals arguments against Jaynes’s theory, 'he has to think about matters he never thought of before, or, if he has thought of them, he must think about them in contexts and relationships that are strikingly new' (Hilgard geciteerd in Gliedman, Julian Jaynes and the ancient mindgods). Dat het boek niet in de obscuriteit is beland voor het zover kon komen, is mede te danken aan respectabele pleitbezorgers die het vanaf het eerste uur heeft gehad. De gerenommeerde filosoof Daniel Dennett heeft steeds verwezen naar het werk en heeft er daarmee voor gezorgd dat cognitief psychologen van mijn generatie het zijn gaan lezen - hoewel nog niet genoeg. Los van de erkenning die het boek ten deel valt, hebben nog maar weinig recensenten zich gewaagd aan een diepgaande discussie, negatief of positief. Marcel Kuijsten, redacteur van het pas verschenen boek Reflections on the dawn of consciousness, wijt dit aan twee dingen. Ten eerste de gedurfdheid van de stelling, waarmee academici iets op het spel zetten als ze zich ermee inlaten. Ten tweede: de expertise die wordt vereist van een heel spectrum aan wetenschappelijke disciplines, van hersenwetenschappen tot Oud-Griekse teksten. Hoe verhoudt het boek zich tot andere werken uit de periode? Afgezien van de rol van pionier, zijn er ook duidelijke overeenkomsten met de tijdsgeest. De Origin is een duidelijke exponent van de cognitieve revolutie in de psychologie. Met andere woorden: de afwijzing van behavioristische vormen van psychologie en de overtuiging dat het psychologisch taalgebruik waarmee we over onszelf praten weliswaar in zekere zin een fictie is, maar een fictie die ons gedrag vormgeeft - en dus een realiteit. Met een klassiek boek uit dezelfde periode Metaphors we live by (Lakoff en Johnson, 1980) heeft het gemeen dat beide de belangrijke functie van metaforen benadrukken, namelijk dat deze een wereld creëren - in plaats van deze alleen maar te beschrijven. Interessant is de vraag hoe Jaynes' visie zich verhoudt tot de in de jaren negentig opgekomen aanpak van embedded cognition. Dat is het idee dat veel van ons intelligent handelen zich niet als 'computatie' in ons brein afspeelt, maar dat het een samenspel is van brein, lichaam en de buitenwereld. Ik denk dat Jaynes het volgende zou zeggen: er is een fase in de geschiedenis geweest waarin een nog groter deel van ons gedrag embedded/ingebed was in de buitenwereld. Het nemen van een beslissing was in een belangrijke fase van onze mensheid per definitie een extern proces: het kijken in ingewanden van dieren, het turen in de sterren, etcetera (dit was de fase na de instorting van de bicameral mind). Een groot deel van dit gedrag is sindsdien geïnternaliseerd via metafoor. Ik denk dat Jaynes het een interessante vraag zou vinden welk deel van ons 'denken' nog steeds in de buitenwereld plaatsvindt. Conclusie De verdienste van Jaynes is in mijn ogen dat hij ons op een nieuwe manier over bewustzijn laat nadenken. Door een schets te maken van een oude mentaliteit, maakt hij in één beweging het wezen van onze eigen mentaliteit inzichtelijk. Pas door het contrast worden ook wijzelf goed zichtbaar. En deze verdienste hangt niet af van de vraag of die schets van de bicameral mind tot in detail juist is. De verdienste is dat het perspectief gecreëerd wordt. Door dit perspectief werden voor mij twee belangrijke zaken inzichtelijk. Ten eerste: het is voorstelbaar dat er een mentaal leven is dat beschikt over een volwaardige taal en toch geen bewustzijn genoemd kan worden. En twee: hoe relatief is ons eigen psychologische vocabulaire! Want hoewel onze eerste reactie is: belachelijk die goden van destijds, denken we bij nader inzien: is ons eigen conceptuele schema niet ook alleen maar beeldspraak? Dat hele cluster van metaforen? Al die 'processen in ons hoofd’ die we zelfverzekerd benoemen, maar waarvoor we alleen maar ‘leenwoorden’ hebben? Ten slotte moet ik zeggen dat het kippenvel me soms op de armen stond bij het lezen. Dat kwam door de combinatie van Jaynes’ lyrische (maar nooit bombastische) proza en de ontzagwekkendheid van het onderwerp. Neem het volgende citaat: As the gods recede into special people called prophets or oracles, or are reduced to darkly communicating with men in angels and omen, there whooshes into this power vacuum a belief in demons. The very air of Mesopotamia became darkened with them. Dit is psychologie in een groots historisch verband. Het is geschreven met een bijna voelbaar ontzag voor en medelijden met het eeuwenlang worstelen en struikelen van de mens om zich een nieuw wereldbeeld te scheppen. De hoofdfiguur in dit verhaal is de mens, in zijn opeenvolging van mentale stadia door de loop van tienduizend jaar heen. De mens die zijn goden verliest en zichzelf maar moet zien te redden. De arme mens die van alles verzint om achter de bedoeling van zijn verdwenen goden te komen: met stokjes gooien, naar de sterren turen, in ingewanden van dieren kijken. De mensenziel zonder houvast die aarzelend ‘bij zichzelf te rade gaat’ en die zich zo gewaar wordt van zijn eigen lichaamstoestanden en hoe deze samenhangen met zijn gedrag. Die in een briljante ingeving zijn bestaande woordenschat inzet om dit nieuwe, introspectieve terrein te ontginnen. En die zo een nieuwe wereld creëert, waarin zijn denkbeeldige evenbeeld kan wonen, die hij vanaf dan als gereedschap heeft, als testpiloot en proefkonijn. Maar die een tastende en zoekende mens blijft, omdat hij zijn oude houvast voorgoed kwijt is. Het is geschiedschrijving van bijbelse proporties. Jaynes trekt niet voor niets de parallel met het paradijsverhaal van Genesis. Inderdaad is het fascinerend - maar natuurlijk geen bewijs voor zijn theorie - dat ook de bijbel wijst op een breuk in de geschiedenis van de menselijke psychologie. Het is de fabel van Adam en Eva die van de boom van kennis (zelfkennis?) eten en die daarna niet meer in direct contact kunnen staan met hun god. Vaarwel goden, vaarwel onbetwistbare autoriteit. Nooit meer het comfort van stemmen die gewoon zeggen wat je moet doen. Ziedaar ons lot. Ik heb nog nooit een boek over evolutionaire psychologie gelezen dat deze reikwijdte heeft. --------- november 2006 Met dank aan Rutger van Dongen Bronnen
|
|||
|
||||
|
||||