|
||||
|
Lichamelijke oefening Of: De kortademigheid van Midas Dekkers W.F. Hermans heeft eens een mindere god aangepakt door diens zinnen te citeren in door elkaar gehusselde volgorde. Vervolgens legde hij deze gemangelde versie van de tekst naast de oorspronkelijke. En wat constateerde de sardonisch grijnzende Hermans? Het maakte niet uit: beide teksten waren even slecht. Zijn opponent gaat daarmee de geschiedenis in als schrijver van in volgorde inwisselbare zinnetjes. Deze analyse schoot me te binnen toen ik Lichamelijke opvoeding (2006) van Midas Dekkers las. Ik zag plotseling dat voor zijn schrijfstijl hetzelfde geldt, maar dan op het niveau van alinea's. Neem een willekeurig hoofdstuk uit zijn boek en hussel alle alinea’s door elkaar. Het resultaat zal zijn: een chaotisch relaas van spitsvondigheidjes en wetenswaardigheden. En pak nu het boek eens en probeer een hoofdstuk te lezen… Inderdaad. Daarmee is het belangrijkste gezegd. De bioloog springt in het eerste hoofdstuk (dat om onduidelijke redenen de titel Tussen droom en daad heeft gekregen) van de hak op de tak, waarbij hij zijn invallen probeert te ordenen rond het thema 'de verhouding tussen lichaam en geest'. Ondanks mijn ergernis kwam bij mij tijdens het lezen toch een vraag op, namelijk wat het verband zou zijn tussen lichaam en geest van de schrijver zelf? Gezien het gelezene, vermoed ik dat hij lijdt aan een aandoening van de luchtwegen, misschien bondig te omschrijven als kortademigheid. Hij heeft namelijk overduidelijk niet het uithoudingsvermogen om een betoog op te bouwen dat gestaag naar een stabiele conclusie toewerkt. In een poging om de morrende lezer toch bij de les te houden, maakt hij steeds weer pas op de plaats - zijn hijgen verbergend - en slaat een nieuw zijpaadje in. Op weg naar weer een blinde muur of dooddoener. Dekkers wringt zich in bochten om 'sport' in een belachelijk daglicht te stellen. Hij associeert sportbeoefening herhaaldelijk met fascistische regimes als dat van de nazi’s. Ach, meneer Dekkers.. Het is zelfs in politieke discussies niet chic of origineel om je gelijk te proberen te halen met verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog. Een tikje pathetischer is het als je de Führer erbij moet halen om je gebrek aan sportiviteit te overschreeuwen. (Het moet gezegd worden dat Dekkers zich goed verdiept heeft in de fascistische sportpropaganda. Hij citeert er gretig uit en er staan vele plaatjes in voor de liefhebbers. We zullen maar denken: een schrijver die geboren is in het verkeerde tijdperk.) De retorische trucjes zijn zoals we die van hem kennen en de houding is er een van distantie: het afstand nemen van de mensheid en daardoor, vanuit het standpunt van de de zoöloog of het marsmannetje, al dat rare gedrag observerend. Kijk! Ze verzamelen zich in stadions... (de sukkels). Bij bepaalde gebeurtenissen op het veld springen ze plotseling collectief van de banken... - Akkoord, ik snap dat deze aanpak, in het straatje van Desmond 'de naakte aap' Morris, soms zijn nut kan hebben. Maar het wordt een ernstig probleem als deze methode wordt gebruikt om afstand te nemen van dingen die überhaupt niet aangevoeld worden. Afstandelijkheid degradeert dan tot een manier om iets zijn waardigheid te ontnemen. Het is een cynisme van het meest armoedige soort, dat wordt verkocht als mild sarcasme of een soort gezonde Hollandse nuchterheid... Het wordt gaandeweg steeds duidelijker waar Dekkers’ blinde vlek ligt. Zijn argumenten tegen sport schieten alle kanten uit, maar raken de essentie niet, omdat hij die hij niet kan zien. Namelijk de prachtige vanzelfsprekendheid, of moet ik zeggen de grootsheid, van een soepel met effect geslagen en wegspringende bal, en vlak daarna: de tevergeefs reikende tegenstander. En de waardigheid van het ritueel van het spelen en het winnen of het verliezen van een partij... Maar ach, iets te verdedigen is moeilijker dan de aanval te kiezen. Alles van waarde is weerloos en Dekkers is graag bereid het weerloze een paar trappen na te geven.
Zolang Dekkers zich echter beperkt tot wat hij wel kan bevatten, is er weinig aan de hand. Hoofdstuk vier De Motor is bijvoorbeeld redelijk leesbaar. Het is een uiteenzetting over de overeenkomsten en verschillen tussen het menselijk lichaam en een verbrandingsmotor. Hier beperkt Dekkers zich tot een nauw omschreven, technisch/biologisch domein en begaat hij geen blunders of platitudes. Over blunders gesproken. We mogen toch verwachten dat Dekkers zich laat bijpraten over de stand van zaken op zijn vakgebied. Zo had hem toch ter ore moeten komen dat het intussen praktisch gemeengoed is dat natuurlijke selectie plaatsvindt op het niveau van genen. Sinds Richard Dawkins in 1976 The selfish gene schreef, is in professionele kringen het besef steeds wijder verbreid dat niet de soort, niet het individu, maar het gen verreweg de belangrijkste eenheid van natuurlijke selectie is. Een inzicht met ongelofelijk interessante implicaties, dat echter in de buitenste cirkel van vakgenoten kennelijk nog niet is doorgedrongen. Want wat lees ik tot mijn verbijstering op pagina 69 als het erover gaat waarom een bloem veroudert en niet meer rood wordt: ‘Omdat ze zich opoffert voor haar soort. […] Al doen de oude blommen zich zo tekort, voor de soort is dit de beste manier om het voortbestaan te verzekeren.’ Waar baseert Dekkers zich op? Op de herhalingen van natuurdocumentaires van de EO? Mij schiet nu te binnen, vreemd genoeg, een uiting van oprechte bewondering van de Amerikaanse filmcriticus Robert Ebert aan het adres van Tom Hanks. Hij legde uit waarom deze acteur in zijn ogen groots is: 'óf Hanks is een waarachtig nobel en in diepste wezen goed mens - zo menselijk vertolkt hij dergelijke personages op het witte doek - óf hij is een nog betere acteur dan we al dachten.' Een klinkend compliment. En wat mij inviel is het volgende: kunnen we ons van Midas Dekkers niet het tegenovergestelde afvragen? Namelijk dit: óf hij is een ernstig bijziend iemand, zonder inlevingsvermogen in zijn medemens, óf hij is een nog slechtere schrijver dan we al dachten? Welke van deze twee mogelijkheden het meest waarschijnlijk is? Ik laat het aan de lezer over en citeer ter overdenking nog een paar van de volgende voorbeelden van kromme beeldspraak en dooddoeners: ‘Scholen zijn tankstations voor de geest’ (p.28). 'Vogels vliegen. Vliegen moet je goed kunnen volhouden, anders val je uit de lucht.’ (p.112). 'Waar het om gaat [bij het songfestival], is wie de meeste punten krijgt. Die is de winnaar. De verliezer, dat is de muziek.’ (p. 141) 'Want hoe word je de beste? Doordat alle anderen slechter zijn. Achter het neusje zwoegt heel een zalm.’ (p.144) --------------- januari 2007 Bronnen
|
|||
|
||||
|
||||