|
||||
|
De Dawkins desillusie Het doet pijn als een held je teleurstelt. Ik bewonder Richard Dawkins sinds ik op twintigjarige leeftijd The selfish gene las. Het was een van de belangrijkste leeservaringen van mijn leven. Ik heb sindsdien met groot genoegen al zijn werk gelezen. Tot dit boek: The God Delusion (vertaald als: God als misvatting). Ik was overigens al gewaarschuwd. Steeds als Dawkins in zijn vorige boeken in een terzijde het onderwerp religie aanroerde, verloor hij zijn houding van aandachtige ernst en welsprekendheid. Nu in dit werk religie het hoofdonderwerp is, zien we een voortdurend uit zijn slof schietende predikant, die weinig nieuws te vertellen heeft over het fenomeen in kwestie. De heel kleine kans dat God bestaat Dawkins gaat er eens goed voor zitten om een groot aantal oude godsbewijzen te weerleggen, onder andere het bewijs door Ontwerp, de ‘unmoved mover’, het 'bewijs uit de Schrift'. Aangezien de argumenten tegen deze godsbewijzen al eeuwenlang in zwang zijn, maakt dit voor een denker van zijn kaliber een wat overijverige indruk. Als lezer erger je je dat Dawkins niet gewoon voortmaakt met het behandelen van de echt interessante vragen. Bijvoorbeeld de vraag waarom religie nog steeds bestaat ondanks deze al eeuwen bekende tegenargumenten. Het volgende hoofdstuk heeft de flauwe titel Why there almost certainly is no God. De schrijver voelt zich verplicht – een echte gentleman – de deur nog op een kier te laten voor de optie dat God bestaat. Hoe groot acht Dakwins deze kans? ‘Very low probability, but short of zero.’ Op dit punt besefte ik dat Dawkins echt op het verkeerde spoor zit. In een boek over godsdienst zit ik niet te wachten op een conlusie in de trant van: de kans dat God bestaat is anderhalf promille. Dawkins is echter goed op dreef bij zijn analyse van het creationisme (of, in de moderne benaming: intelligent design). Hij legt bloot hoe pathetisch de houding van deze groepering is. Vooral hun parasitaire gewoonte om hun vlag van God te planten in de nog onontgonnen gebieden van de wetenschap. Dawkins: ‘[…] There is, then, an unfortunate hookup between science’s methodological need to seek out area’s of ignorance in order to target research, and ID’s need tot seek out areas of ignorance in order to claim victory by default. ’ (p.126-127) Inderdaad een stel hypocrieten, en zij verdienen Dawkins' aanval ten volle. De oorsprong van religie Een behoorlijk interessant hoofdstuk is The roots of religion. Hierin onderzoekt Dawkins vanuit darwinistisch standpunt wat het nut van religie is. Welke extra overlevingswaarde biedt het mensen, als tegenprestatie voor de energie die ze besteden aan 'zinloze' rituelen? Dawkins’ globale antwoord is dat religie geen nut heeft en dat onze vatbaarheid ervoor slechts een ongelukkig bijproduct is van andere mentale vermogens. Het is inderdaad denkbaar dat een aantal instincten/vermogens die voor andere doeleinden zijn geëvolueerd, als neveneffect tot een religieuze ervaring kunnen leiden. Dawkins noemt als kandidaat-modules onze soms overijverige intentional stance die er toe leidt dat we overal een bedoeling achter zoeken. Net als jonge katjes, die in elk bewegend object een prooi zien, zijn wij mensen obsessieve jagers op plannen en complotten. Deze neiging, die vaak nuttig is, is ook vaak misplaatst. Een andere noodzakelijk ingrediënt voor het ontstaan van een religieuze ervaring is volgens Dawkins het vermogen om verliefd te zijn op een persoon – vanwaar de abstractie van dit gevoel naar een goddelijke instantie. Zo doet Dawkins nog een paar suggesties voor ‘mentale modules’ die met elkaar, als neveneffect, religieuze ervaringen mogelijk maken. Dit zijn nuttige aanzetten in de richting van een evolutionaire verklaring, maar ze benoemen alleen de mentale ‘kopieermechanismen’, de ‘voortplantingsorganen voor memen’ van onze geest – en niet de inhoud, de geloofsleer zelf (hoewel deze scheiding niet absoluut is). Dit realiseert Dawkins zich ook: ‘Vulnerable the mind may be, but why should it be infected by this virus rather than that? Are some viruses especially proficient at infecting vulnerable minds? Why does ‘infection’ manifest itself as religion rather than as… well, what?’ (p.188) En hij geeft onmiddellijk een antwoord – of, beter gezegd, hij verspert de weg tot een antwoord: ‘Part of what I want to say is that it doesn’t matter what particular style of nonsense infects the child brain. Once infected, the child will grow up and infect the next generation with the same nonsense, whatever it happens to be.’ (p.188) Door de inhoud af te doen als nonsens, gooit Dawkins de handdoek bij voorbaat in de ring. In plaats van te onderzoeken waarom wij vatbaar zijn voor deze specifieke 'nonsens', concentreert hij zich enkel op de reproductieve fitness van een religie, met andere woorden het 'virale' aspect ervan. Hij laat geen ruimte voor de mogelijkheid dat de 'besmette' personen wellicht ook voordelen zouden kunnen ondervinden van religieuze denkwijzen. Dit is zijn definitie van religie, als een memeplex. ‘[Religions] were not necessarily designed by individual people, but evolved separately as alternative collections of memes that flourish in the presence of other members of the same memeplex.’ Met andere woorden, een religieus denkbeeld kan niet in afzondering overleven, maar moet beschermd worden door een soort immuunsysteem om concurrerende ideeën af te weren. Tot dit immuunsysteem behoort bijvoorbeeld de bezwering dat twijfel aan het geloof 'de duivel' is en het dreigement dat ketters worden gedood. Het hoeft inderdaad niemand te verbazen dat een geloofsysteem, wil het duizenden jaren overleven, voor een deel bestaat uit dergelijke vuile trucs. Maar hiermee is nog weinig gezegd over de kern van het geloof zelf.
Richard Dawkins in de South Park-aflevering Go God Go Wortel van alle kwaad? In hoofdstuk zeven, The good book and the moral zeitgeist, komen we dan eindelijk toe aan de inhoud van de geloofsleer. En die is volgens Dawkins ‘barking mad’ en ‘viciously unpleasant’ (p.253). 'I refer specifically to the central doctrine of Christianity: that of ‘atonement’ for ‘original sin’. This teaching, which lies at the heart of New Testament theology, is almost as morally obnoxious as the story of Abraham setting out to barbecue Isaac […] What kind of ethical philosophy is it that condemns every child, even before it is born, to inherit the sin of a remote ancestor? (p.251) Inderdaad ‘onplezierig’, maar misschien verwisselt Dawkins hier oorzaak en gevolg, of de boodschapper met het nieuws. Hij hangt de gangbare opvatting aan dat religie de aanstichter is van onnodige schaamte- en schuldgevoelens. Zo zouden wij ons schamen voor onze naaktheid, omdat we dat geleerd hebben van het paradijsverhaal uit de Bijbel. Deze nogal simplistische conclusie laat een causaal tegengestelde verklaring buiten beschouwing. Namelijk dat de heilige teksten een uitleg willen geven voor de natuurlijke dosis schaamte-instinct waarmee mensen opgezadeld zijn. Mensen nemen bij zichzelf driften waar en moeten deze op de een of andere manier begrijpen en rechtvaardigen. De rituelen en de verhalen van het geloof bieden daar een oplossing voor. Dat is geen straf, maar een verlossing. Bij gebrek aan evolutionaire verklaringen, moest de mens zichzelf tweeduizend jaar geleden een allegorisch/symbolisch verhaal vertellen over zijn eigen aard. Over allegorieën en symbolen gesproken: hiermee heeft Dawkins duidelijk moeite. Symboolblindheid Is Richard Dawkins ‘symboolblind’? Het lijkt er wel op. Smalend richt hij zijn pijlen op de leerstelling van de Goddelijke Drie-eenheid: ‘a masterpiece of theological close reasoning’ (p.33). Dawkins heeft namelijk heel schrander gezien dat er een inconsistentie zit in de stelling dat God zowel één als gedeeld is. Ferm trekt hij de conclusie: ‘It is the mere Abracadabra of the moutebanks calling themselves the priests of Jesus.’ Een ander voorbeeld van symboolblindheid: ‘Did Jesus have a human father, or was his mother a virgin at the time of his birth? Whether or not there is enough surviving evidence to decide it, this is still a strictly scientific question […]’. (p.59). Pardon? We kunnen ons afvragen of een roman deels gebaseerd is op echte gebeurtenissen. Maar dit is een andere vraag dan die naar de kwaliteit van het verhaal. Of de lijkwade van Turijn al dan niet stamt uit Bijbelse tijden, is een vraag van een bepaalde empirische categorie. De vraag naar wat het verhaal in kwestie, de verrijzenis van Christus, op symbolisch niveau zegt over onze menselijke aard, is van een heel andere categorie – in ieder geval niet een van meten is weten. (eigenlijk absurd dat ik iets wat zo vanzelfsprekend is, hier aan het uitleggen ben). Dat veel mensen, waaronder helaas ook veel gelovigen, de Bijbel letterlijk opvatten, is een foute maar begrijpelijke houding. Gerard Reve verdedigde de kerkelijke leer als volgt: ‘Die kerk verkondigt haar leer letterlijk, en het ligt aan het geestelijk niveau van de zielen of die haar letterlijk, allegorisch, dan wel als een ondoorgrondelijk mysterie wensen op te vatten. […] Men kan niet van deur tot deur iets colporteren en zeggen ik kom u iets vertellen dat eigenlijk niet waar, maar op een bepaalde manier juist héél erg waar is. Want wat zegt dan degene die de deur open doet? Hij zegt: ‘Man donder op en laat meteen je haar maar eens knippen.’ Symboliek dus, vermomd als letterlijkheid. Wat zijn symbolen eigenlijk? Dawkins stelt zichzelf die vraag niet eens. Alweer heeft Reve een interessante opvatting over wat symbolen in de religie zijn: ‘Zij [de religie] openbaart, maar verhult tegelijkertijd. Zij kanaliseert een omgang met het Mysterie, maar op het laatste moment gebruikt zij hare symbolen als hitteschilden, die ons het aanschouwen van het Mysterie zelve beletten [...]’ Dawkins heeft een hekel aan mysteries, en dat is in principe geen slechte houding voor een wetenschapper. Maar hij zal toch wel vatbaar zijn voor de ontroering die een verhaal of ander kunstwerk teweeg kan brengen? Hij zal toch weten dat in een verhaal sommige dingen ‘niet echt kunnen’? Dat inlevingsvermogen niet hetzelfde is als goedgelovigheid? Hij zal toch wel weten dat het grootste deel van de gelovigen hun eredienst ondergaan in een gepaste ontroering en daarbij geen vlieg kwaad doen? Dawkins besteedt echter weinig aandacht aan de psychologie van de geloofservaring. Hij concentreert zich steeds op de uitwassen van religieus extremisme. Daarover vertelt hij weinig nieuws. Conclusie Dawkins wil een onmogelijke spagaat maken. Enerzijds klaagt hij religie fel aan, anderzijds probeert hij de oorsprong ervan objectief te onderzoeken. Door deze dubbelhartigheid is The God Delusion een merkwaardig misvormd boek geworden. Ik voelde me alsof ik een lezing bijwoonde over het leefgedrag van een dier, waarbij de bioloog in kwestie steeds zijdelings zijn afkeer erover uitspreekt. ‘Dit dier is een onuitstaanbaar stuk vreten en maakt de hele klasse der zoogdieren te schande! (vrij naar Gummbah). Tijdens het lezen zat ik voortdurend met mijn ogen te knipperen: is dit boek werkelijk geschreven door dezelfde schrijver die in zijn eerdere werk met zulke goed gevonden vergelijkingen de logica van een idee kon uiteenzetten? Die zo enthousiast kon uitwijden over de nuances van echolocatie bij vleermuizen? Het is nauwelijks te geloven dat het dezelfde schrijver betreft. Ik heb het moeten aanvaarden. Ik heb in dit boek niets gelezen over de meest voor de hand liggende aspecten van religie, die erom schreeuwen om verklaard te worden. Ik heb bijvoorbeeld niks gelezen over hoe bekering tot een geloof mensen kan genezen van een verslaving. Ik heb niks gelezen over de functie van ritueel. Niets gelezen over de overeenkomst tussen het effect van 'seculiere' kunst en een religieuze eredienst. Wat ik over bidden las, ter illustratie nogmaals van Dawkins' invalshoek, was een bespreking van een wetenschappelijk en dubbel-blind onderzoek naar het effect ervan. Conclusie: het werkt niet. Moeder Maria, bid voor hem... The God Delusion was in Amerika een bestselller, maar heeft, op zijn zachtst gezegd, wisselende recensies gekregen. Aan Dawkins viel zelfs de twijfelachtige eer te beurt te figureren als cartoonfiguur in twee South Park afleveringen (zie afbeelding). Daniel Dennett, vriend en bondgenoot in veel kwesties, schreef in zijn overigens milde recensie: ‘Now if only he could get on Oprah’s program!’ Misschien ben ik de enige die een hier een ironische ondertoon voelde? Ik moest grinniken en ik kon nog wel een paar andere Amerikaanse talkshows bedenken waar Dawkins goed op zijn plaats zou zijn. Hij kan zijn tournee afsluiten bij Dr. Phil, voor een sessie anger management en carrière-advies. --------------- maart 2007 Links |
|||
|
||||
|
||||