|
De grootheidswaan van Erik Weijers Toen zijn uitgever hem verzocht om een 'megalomaan cv' te schrijven, weigerde Erik Weijers dit verzoek. ‘Stuur maar iemand voor een interview’, was zijn antwoord. Door Hilde Engelaar Bij het lezen van oude krantenknipsels was uw verslaggeefster wat ongerust geraakt. De schrijver zou 'vol van zichzelf' zijn en ‘een moeilijke man’. In een ander artikel werd melding gemaakt van ‘sterke stemmingswisselingen’. Daarvan blijkt tijdens het interview in eerste instantie weinig. Zeker, Weijers is ingenomen met zichzelf en zijn uitspraken getuigen van grootheidswaan. Maar hij is daarbij hoffelijk en ogenschijnlijk goedgehumeurd. Hij neemt de tijd en serveert uitstekende espresso en een smakelijk en grappig ogend assortiment aan petitfours. Het vraaggesprek vindt plaats in de woonkamer van zijn modern gemeubileerde herenhuis. Het prettige, sonore stemgeluid van de schrijver wordt alleen af en toe onderbroken door het geblaf van honden in de verte. ‘Wist u dat op de landgoederen daarginds nog wordt gejaagd? Dispensatie voor een hooggeplaatst persoon.’ Een gedempte avondzon verlicht het vertrek. Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: waar komt uw talent vandaan? Dat heb ik me ook wel eens afgevraagd. Wat betreft mijn schrijftechniek: er zit een grote Duitse tak in mijn stamboom. Misschien verklaart dit mijn talent om zinnen te bouwen die een onderwerp, een persoonsvorm en tenminste twee bijzinnen bevatten, in de juiste samenhang en met een prettig melodieus verloop. Dat werk, ja. Ach, ik weet het niet. Misschien was het de stand van de sterren, of de weersomstandigheden waaronder ik geboren ben. Mijn attente moeder heeft die destijds beschreven in babyboek Ik. Wacht, ik pak het er even bij: ‘Toen we ’s morgens om ongeveer 8.15 u. naar het Radboud Ziekenhuis reden, was de natuur prachtig. Het had ’s nachts gevroren en alle bomen en het gras waren wit van de rijp. Overdag werd het heel mooi weer, het zonnetje ging schijnen. ’s Avonds viel er een dik pak sneeuw.’ Je kunt zien dat het talent in de familie zit, of niet dan? Een mooi handschrift ook… En kijk, er zit een plukje van mijn babyhaar bij... Wat wilt u als schrijver bereiken? Ik wil de lezer ontroeren en laten lachen. De lach en de traan, zoals dat heet. Ik weet het, dat is erg ambitieus. Maar om misverstanden te voorkomen: ik wil de lezer niet doen beseffen dat hij een meesterwerk aan het lezen is. De leeservaring moet eerder zijn als een warm bad. Ik dring mezelf niet op, maar geef de lezer de kans om door mijn tekst zijn eigen verbeelding in gang te zetten. Als de betovering voorbij is, denkt hij of zij aan mij, en komen we samen tot een hoogtepunt. Dat is… waarom bloost u nou? Ik wil alleen maar zeggen dat de lichamelijke en de geestelijke erotiek verwant zijn. Zeker, absoluut. Wat denkt u, zal wat u schrijft de tand des tijds doorstaan? Wie ben ik om dat te beoordelen? Wel geloof ik dat één alinea uit een willekeurig e-mailtje van mij meer waarde heeft dan de hele cyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. Van der Heijden. Maar ach, wat doet het er uiteindelijk toe? Alles is ijdelheid. Kijk daarbuiten eens. Daar, op de plek van het theehuis, stond toen ik hier kwam wonen een eeuwenoude eik. Ik heb hem moeten vellen. Hij was aan het eind van zijn latijn. U brengt het weer mooi onder woorden. Internationale erkenning gaat vast snel komen? Het is waarschijnljk een kwestie van tijd. Hoewel: je hebt dat soort dingen niet zelf in de hand. Ach ja, doorbreken in het buitenland... Ik zoek die bekendheid niet. Ik vereenzelvig mezelf graag met Multatuli toen hij de Havelaar schreef. Berooid en verlaten schreef hij de kladversie in een café te Gent. Zijn mensen jaloers op u? Ik ben niet het type talent waar mensen jaloers op zijn. Ik schrijf rake zinnen, maar niet op een drammerige toon. Ik doe schijnbaar achteloze observaties, waarmee ik situaties expliciet maak die mensen onbewust al hadden waargenomen. Ze hadden het alleen nog niet onder woorden gebracht. Hun reactie is vervolgens: ‘Hij schrijft dat toevallig, maar ik had het net zo goed zelf kunnen bedenken. Hij is een van ons.’ En zo moet het ook zijn. Ik wil niet op een voetstuk staan. U bent een toonbeeld van bescheidenheid... Dank u. Ik heb een hekel aan mensen die vol van zichzelf zijn. Mooi. Iets anders nu, het moet me van het hart. U bent tot dusverre in dit gesprek zo rustig. Eerlijk gezegd lucht me dit op. Want... hoe moet ik dit nu zeggen... Vertel op. Vooruit dan. Tijdens mijn voorbereiding heb ik dingen gelezen die… begrijp me niet verkeerd, ik neem niets zo maar aan, maar... geruchten over uw temperament, uw grillige gedrag en... de manier waarop u in het verleden tegen bepaalde mensen bent opgetreden, zogezegd. O ja? Er wordt vast heel wat geschreven... Wat gelooft u daar zelf van? Weinig. Ik wil alleen zeggen dat er veel opschudding is rond uw persoon. Misschien zijn er toch mensen jaloers op u? Kijk, het zit als volgt. Een paar jaar geleden werd er een hetze tegen mij gevoerd. Die was in gang gezet door een groepje dat, kort samengevat, niet kon verkroppen dat ik talent heb en zij niet. En wat kreeg ik dus als dank voor alles wat ik de mensen probeer te geven? Leugens, laster en voortdurende pogingen om mijn werk te vertrappen en te kleineren. De kleinzieligheid van bepaalde mensen kan niet overschat worden. Neem me niet kwalijk dat ik erover begonnen ben. Tegenwoordig lees ik het niet meer. Het houdt me gewoon niet meer bezig. Maar er was een tijd... op een bepaald moment vielen ze ook mensen aan die me dierbaar waren, snapt u? Toen kon ik me er niet langer buiten houden. In de daarop volgende polemiek heb ik eens echt gas gegeven. Ze waren kansloos, ik heb ze in de pan gehakt en bij het oud vuil gezet. Ik merkte toen dat literaire kritiek inderdaad is als sneeuwruimen, zoals W.F. Hermans heeft geschreven: je ruimt iets op dat op den duur ook vanzelf verdwijnt. Hoe dan ook, mijn stukken hebben het einde van de loopbaan van bepaalde individuen flink versneld. Ik ben daar overigens niet bijzonder trots op. En dat is eigenlijk alles wat ik er nog over te zeggen heb. Van het overgrote deel van de lezers krijg ik trouwens hartverwarmende reacties. Zeker, dat geloof ik. Maar is het niet een idee om die polemische stukken eens te bundelen? Er schijnt veel vraag naar te zijn. Ja, ze zijn wel goed, hè? Misschien in de verre toekomst. Ik vind die stukken minder belangrijk dan mijn andere werk. Hoewel ik niet ontken dat ze effectief geschreven zijn, en smakelijk leesvoer. Wilt u trouwens nog een espresso? Moment. Proef eens, deze is gemaakt van mijn favoriete bonensoort. Maar waar waren we gebleven? Deze is inderdaad heerlijk. Laten we ons weer tot de literatuur beperken. Hoe kijkt u tegen de generatie schrijvers voor u aan? Wat zal ik zeggen? Ze hebben het in ieder geval geprobeerd. Ik vind het alleen jammer dat ik geen inspiratie kan putten uit hun werk. Neem Arnon Grunberg. Hij schijnt, net als ik, het werk te bewonderen van de Amerikaanse schrijver John Fante. Wat mij daarom zo verbaast, is dat hij in zijn eigen werk, hoewel hij niet ongetalenteerd is.. zo weinig riskeert, zo weinig eerlijk is en ... hoe moet ik dat nou zeggen... zo weinig... mededogen heeft. Een schrijver moet toch af en toe mededogen hebben met de ellende die hij beschrijft? Ik ben niet geïnteresseerd in de belevingswereld van een reptiel. Of, beter gezegd, een reptiel dat een warmbloedig wezen probeert na te bootsen. Een reptiel? Dat zijn erg harde woorden. Ik gebruik de meest treffende woorden die ik kan vinden. Grunberg heeft mooie boeken geschreven. Bespeur ik hier een zwakte, een onjournalistieke partijdigheid? Ik ben niet partijdig, ik vroeg u naar een oordeel over de generatie voor u, niet om deze te kleineren. Wat vindt u van Martin Bril? Ook al geen toonbeeld van warmbloedigheid... Maar ik heb eigenlijk niets tegen hem. Hij is geen slechte schrijver, hij doet geen kwaad. Ga alleen niet met een boek van hem op de bank liggen, tenzij je wat nachtrust moet inhalen. Frans Kellendonk? Die man schreef met een hark. U geeft steeds af op mannelijke schrijvers. Haantjesgedrag? Denkt u dat ik iets tegen mannen in het bijzonder heb? Ik heb iets tegen slechte schrijvers. Dat zijn ze bijna allemaal. Vrouwen inbegrepen. Vrouwen kunnen niet schrijven, het spijt me dat te moeten zeggen. Connie Palmen is toch van wereldklasse? Wereldklasse? Een gezwollen stijl en pretentieus. Zij heeft wel een mooie stem en kan goed formuleren. Ik hoor haar liever praten dan dat ik haar lees. Waar vrouwen vaak de plank misslaan, is hun gebrek aan understatement. Ze onderschatten de lezer en hameren te veel op hun punt. Of ze zijn te koket. Het is schattig, goedbedoeld en hopeloos ineffectief. Het mooiste boek dat ik ken is anders toch van een vrouw, van een meisje beter gezegd. Niets pretentieus, niets gezwollens. Puur en oprecht. Het dagboek van Anne Frank. Anne Frank... tja. Een prachtig document van een meisje dat een groot schrijfster had kunnen worden. Een 'document' ja. Ze wordt overschat. Het zijn de omstandigheden die haar beroemd hebben gemaakt. Pardon? Zij kon echt schrijven! Op mijn dertiende was ik beter dan Anne Frank. Dat kan ik bewijzen ook. Zinsbouw en metaforen waren bij mij beter in orde. Wat betreft thematiek en visie had ik misschien een achterstand. Ik had de omstandigheden niet mee. De omstandigheden niet mee... dat is ronduit kwetsend. Voor holocaustslachtoffers is het makkelijk scoren. Ze krijgen het onderwerp in hun schoot geworpen, hoeven er niet voor te werken. We lezen hun verhalen en projecteren al onze gevoelens van schuld en medelijden in hun geschrijf. Ach, wat vinden we het ontroerend allemaal. Maar wat had ik? Met welk materiaal kon ik werken? Ik heb mijn eigen holocaust moeten verzinnen... U laat zich heel erg kennen nu...
Ik heb het niet makkelijk gehad. Ik heb hard moeten werken. Wat weet u daar eigenlijk van? U bent zeker opgegroeid met een gouden lepel in de mond. Ach toch. Een groot schrijver en zijn moeilijke jeugd... ik wil dit gesprek nu graag afronden. Ik kan daar wel in komen. Op een bepaald moment is het gewoon op. Interviewer en geinterviewde hebben elkaar niet meer zo veel te zeggen. Misschien ligt het ook aan mij. Ik ben soms te genuanceerd, terwijl u voor uw blad natuurlijk pittige uitspraken wilt. Heeft u alles bij zich? Het is vervelend om terug te moeten komen voor een vergeten handtas of regenscherm... Nee, ik hoef het artikel niet te lezen voor publicatie. Tot ziens!
--------------------------- augustus 2007 |